Het bevriezingsproces, het bekendste stolproces

Zuiver bestaat uit niks meer dan een gigantische verzameling watermoleculen. Een watermolecuul (H2O) bestaat uit één zuurstofatoom en twee waterstofatomen. We noemen het water tot het niveau van dat ene watermolecuul. Toch heeft het lang niet dezelfde eigenschappen als een heleboel watermoleculen bij elkaar: Water in een pannetje kan koken bij 100 graden Celcius; een enkel watermolecuul kan niet koken. Een slootje vol watermoleculen bevriest bij 0 graden Celsius; een enkel watermolecuul niet. Toch draagt dat watermolecuul die eigenschappen wel in zich. [nemokennislink.nl]


Het bevriezingsproces, een groeikern waarop zich ijskristallen vormen. Het bekendste stolproces is dat van vloeibaar water tot : bevriezing. Zuiver water heeft een stolpunt van exact 0° Celsius. Bij het vermindert de dichtheid van water: water zet uit bij bevriezing. De meeste andere stoffen hebben in vaste vorm juist een hogere dichtheid dan in vloeibare vorm: bij stolling krimpen ze in.

Op molecuulniveau: Bij het stollen van een stof wordt er warmte afgegeven en raakt de stof dus energie kwijt. Deze energie komt van de en deze gaan daardoor ook minder snel bewegen: de onderlinge aantrekkingskracht neemt toe. Een molecuul in een vloeistof kan nog redelijk los bewegen, in een vaste stof kunnen alleen nog om hun vaste positie in een rooster trillen. [wikipedia.org]

[The Physics and Chemistry Channel]