Zonnewonder: 70.000 getuigen van een buitengewoon fenomeen

De verschijningen van werden voorafgegaan door drie bezoeken van een engel. Op 13 mei 1917 zou voor de eerste keer aan de kinderen verschenen zijn en beloofd hebben elke maand opnieuw op de dertiende te zullen verschijnen. Ze riep de kinderen op om boete te doen en offers te brengen met het doel lijdende zielen uit het vagevuur te helpen en te bidden voor de bekering van zondaars, opdat die niet naar de hel zouden gaan. De kinderen zagen daarom af van eten en drinken op bijzonder warme dagen en droegen een touw om hun middel bij wijze van offer. Ook droeg hen op iedere dag de Rozenkrans te bidden voor de vrede.

Op 13 oktober 1917 werd door een menigte van circa 70.000 belangstellenden en nieuwsgierigen een buitengewoon fenomeen waargenomen. De menigte stond verzameld rond de drie herderskinderen die een wonder voorspeld hadden. Volgens de aanwezigen, onder hen ook niet-katholieken, leek de zon plotseling, na het bidden van de rozenkrans, op de menigte neer te storten, maar deinsde op het laatste moment terug. Deze gebeurtenis wordt het van Fátima genoemd.

Latere onderzoekers als Auguste Meessen, professor natuurkunde van de Katholieke Universiteit Leuven en oogartsen als Hope-Ross merken op dat kijken in de zon kan leiden tot bewegende en verkleurde nabeelden op het netvlies. In 1949 werden pelgrims te Heroldsbach in Duitsland aangemoedigd om in de zon te kijken, waarna soortgelijke zonsverschijnselen werden waargenomen.

Een ander deel van het ‘zonnewonder’ was echter dat voorafgaand aan de dans van de zon er een zware regenbui over de aanwezigen was gevallen en iedereen stond er druipnat bij. Nadat de zon terug op de normale plaats aan de hemel stond, was iedereen droog. Dit maakt dat het zonnewonder niet te verklaren is als een spel van nabeelden, doordat de mensen in de zon moesten kijken. Alle 70.000 aanwezigen hebben op hetzelfde moment die zon op zich zien afkomen en hun druipnatte kleren waren na afloop droog.